Amsterdam, 12 januari 2026
De Nederlandse zoetwatervoorziening staat onder druk. Steeds vaker waarschuwen rapporten voor tekorten veroorzaakt door bevolkingsgroei, toenemende vraag vanuit landbouw en industrie, verzilting, droogte door klimaatverandering, en vervuiling. Iedereen heeft water nodig – en steeds méér. Tegelijkertijd neemt de beschikbaarheid van geschikt grond- en oppervlaktewater af. Het is zaak dat de overheid, te beginnen bij een volgend kabinet, moeilijke keuzes durft te maken rondom watervoorziening en in het maatschappelijk debat erkent dat het om een verdelingsvraagstuk gaat.
Een groeiend tekort aan drinkwater
Nederland stevent af op een ernstig tekort aan drinkwater. In 2023 waarschuwde het RIVM dat de vraag in 2030 naar verwachting 100 miljoen kubieke meter hoger zal liggen dan in 2020. Ondanks duidelijke signalen van structureel watertekort blijven de noodzakelijke inspanningen van overheid, bedrijven en burgers achter.
Zo concludeerde de Algemene Rekenkamer dit jaar dat de met bedrijven afgesproken drinkwaterbesparing van 20 procent bij lange na niet wordt gehaald. Het drinkwaterverbruik van zakelijke gebruikers is juist toegenomen. Daarnaast bleek uit onderzoek van platform Investico en anderen dat provincies niet de strategische watervoorraden hebben aangelegd waartoe zij al in 2018 waren opgeroepen. En hoewel de glastuinbouw had beloofd vanaf 2027 emissieloos te telen, blijkt uit eigen sectorrapportages dat de lozingen en lekkages van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen doorgaan. De doelstelling lijkt daarmee onhaalbaar.
Slechte waterkwaliteit vergroot de schaarste
Deze ontwikkelingen zijn des te zorgwekkender omdat Nederland niet alleen kampt met waterschaarste, maar ook de slechtste kwaliteit van grond- en oppervlaktewater van alle EU-lidstaten heeft. Tegen die achtergrond was het opvallend dat demissionair landbouwminister Wiersma kort geleden het voornemen uitsprak om boeren méér mest te laten uitrijden, wat de druk op de waterkwaliteit nog verder zou vergroten. Dat plan heeft het niet gehaald, maar de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), die uiterlijk in 2027 moeten zijn behaald, staan in Nederland hoe dan ook sterk onder druk.
Waterkwaliteit is een zelfstandig aandachtsgebied, maar het vormt ook een factor in waterbeschikbaarheid. Vervuiling door tuin- en landbouw, chemische industrie en medicijngebruik maakt waterzuivering complexer en duurder, waardoor de beschikbaarheid van schoon drinkwater verder afneemt.
Toenemende spanningen tussen watergebruikers
Zoals bij elke schaarse hulpbron leidt ook waterschaarste tot spanningen en conflicten tussen gebruikers. Boeren protesteren tegen uitbreiding van grondwaterwinning door drinkwaterbedrijven uit vrees voor extra droogteschade aan hun gewassen. Tegelijkertijd waarschuwt drinkwaterbedrijf Dunea voor dreigende tekorten in de Haagse regio, terwijl brouwer Heineken daar op grote schaal duinwater gebruikt voor bierproductie en export.
In Dongen beschikt Coca-Cola over een ‘boringsvrije zone’ rond eigen grondwaterbronnen om de waterkwaliteit te beschermen, terwijl drinkwaterbedrijven zoals Brabant Water hun bestaande winvergunningen niet mogen uitbreiden vanwege natuurbeschermingsregels. Zij zijn daardoor genoodzaakt uit te wijken naar dure alternatieven, zoals de ontzilting van zeewater. Ook het hoge waterverbruik van datacentra roept steeds meer vragen op, nu dit moeilijk te verenigen blijkt met een betrouwbare drinkwatervoorziening.
Watertekort als verdelingsvraagstuk
Het is van groot belang voor het politieke en maatschappelijke debat dat de problemen rond waterbeheer worden benoemd, niet alleen als een probleem van objectieve schaarste maar ook als een vraagstuk van herverdeling. Zo’n vraagstuk noopt tot keuzes: welk watergebruik gaat vóór, welke gebruiker krijgt hoeveel? Herverdeling houdt ook in dat opnieuw gekeken wordt naar bestaande situaties, zoals grootschalig gebruik van zoetwater door de (chemische) industrie, en langlopende gebruiksrechten van ondernemingen.
Een focus op waterschaarste en regulering van watertoedeling is niet vanzelfsprekend, gegeven de historische identiteit van Nederland als waterrijk land met een reputatie op het gebied van waterveiligheid en afwatering. Vanuit dat perspectief is het niet vreemd dat het huidige beleids- en reguleringskader onvoldoende is toegerust op de veranderde omstandigheden, die vragen om scherpere afwegingen tussen alle vormen van watergebruik (inclusief watervervuiling), en tot aanzienlijk strengere beleidskeuzes. Het feit dat de broodnodige nieuwbouwambities van verschillende provincies nu al onder druk staan door een dreigend tekort aan drinkwater, laat zien dat het bestaande model tegen zijn grenzen aanloopt.
Onvoldoende bestuurlijke instrumenten bij structurele waterschaarste
De verantwoordelijkheid voor waterbeheer ligt in veel gevallen, zoals van grondwateronttrekking, bij provincies en soms bij waterschappen. Waterrechten worden daarbij opgevat als schaarse publieke rechten: het gaat om door de overheid gereguleerde aanspraken op het gebruik van een natuurlijke hulpbron, waarbij de vraag het aanbod overtreft. Besluitvorming over water in decentrale bestuurslagen heeft een complexe wisselwerking met algemeen Nederlands recht, met EU-regelgeving (in het bijzonder de KRW), en ook met internationaal recht – bijvoorbeeld in de vorm van het internationale ‘mensenrecht op water’ dat sinds twee decennia een rol speelt in de Nederlandse rechtspraak over waterafsluiting van huishoudens bij wanbetaling.
Bij acute droogte kan Nederland terugvallen op de zogenoemde verdringingsreeks (artikel 2.42 Omgevingswet jo. artikel 3.14 Besluit kwaliteit leefomgeving), een prioriteringslijst voor de verdeling van zoetwater. Waterveiligheid en het voorkomen van onomkeerbare natuurschade staan bovenaan, gevolgd door nutsvoorzieningen zoals drinkwater en energie, en pas daarna landbouw, natuur en industrie. Dit instrument is echter bedoeld voor tijdelijke noodsituaties en geldt bovendien alleen voor oppervlaktewater. Grondwater, dat belangrijker is voor drinkwaterproductie, valt hier grotendeels buiten. Provincies kunnen ervoor kiezen de verdringingsreeks ook op grondwater toe te passen, maar die beslissing lijkt tot nu toe niet aan de orde te zijn geweest.
Andere mogelijke instrumenten om tot een herverdeling te komen die in de bestuursrechtelijke literatuur worden benoemd, zijn ingrepen in het vergunningenstelsel voor onttrekkingen en lozingen en beleidsmatige keuzes in waterplannen (nationaal, regionaal, lokaal). Dat gezegd, lijkt het vergunningenstelsel beperkt geschikt om structurele herverdeling te bewerkstelligen, omdat het in belangrijke mate is gebaseerd op het ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’-beginsel. Vergunningen zijn bovendien (anders dan bij andere schaarse rechten) traditioneel voor onbepaalde tijd verleend en gelden ook voor rechtsopvolgers, waardoor ‘historische’ gebruikers een zeer sterke rechtspositie hebben. Tenslotte zijn er waterplannen, die een beleidsmatig kader kunnen bieden waarin doelen, functies en maatregelen voor watersystemen worden vastgelegd, en die daarmee impliciet richting geven aan de verdeling van water. Maar als instrument voor herverdeling zijn ook deze plannen problematisch, omdat zij vooral strategisch en programmatisch van aard zijn en weinig rechtsgevolgen hebben voor individuele gebruikers – terwijl onderliggende verdelingskeuzes veelal onbenoemd blijven.
Koerswijziging
De overheid heeft tot dusver gestuurd op bewustwording en innovatie, met een nadruk op individuele en provinciale verantwoordelijkheid, maar die aanpak blijkt niet toereikend om de toenemende waterschaarste het hoofd te bieden. Het gaat dan ook om (her)verdeling van een schaars goed, waarbij de belangen groot zijn en de lasten ongelijk verdeeld. Uiteindelijk zullen keuzes moeten worden gemaakt – de overheid kan een ingrijpende koerswijziging niet overlaten aan vrijwilligheid of decentrale processen. Daar is regie voor nodig, geen afwachtend beleid.
De volgende regering moet dus aan de slag. De kabinetsformatie is in volle gang, maar in het voorlopige formatiestuk van CDA en D66 ontbreekt drinkwater vooralsnog als zelfstandig thema. Dat is zorgelijk. Van andere complexe dossiers, zoals de stikstofcrisis en de overbelasting van het elektriciteitsnet, weten we hoe moeilijk het is voor de politiek om pijnlijke keuzes te maken, en hoe groot de schade is wanneer die keuzes steeds vooruit worden geschoven. Belangrijker – juist bij de watervoorziening is uitstel geen optie. De realiteit van structurele waterschaarste dient zich niet pas aan over tien of twintig jaar, maar al op korte termijn. Wie nu wegkijkt, loopt het risico te laat te zijn.